dinsdag 4 maart 2014

Geen zin.

Veel zin om vandaag aan mijn blog te werken heb ik niet. De boog kan niet altijd gespannen staan.
Maar van mezelf moet ik dagelijks wel even met taal bezig zijn.
Nu is het moeilijker om niet met taal bezig te zijn dan wel. Het begint ’s morgens al als ik Paula bedank voor het lekkere bakkie koffie dat ze voor me heeft gezet.
Ik geef haar graag die kans. Als zij er eerder uit is dan ik heb ik het bed nog even voor mezelf; een gevoel dat ik waarschijnlijk deel met vele anderen die een partner hebben.
Opeens schiet me te binnen dat ze al weg was toen ik vanmorgen beneden kwam. Dus heb ik zelf maar koffie gemaakt. Eerlijk, het smaakte haast net zo goed.

Ik hou er van als het ’s morgens stil is in huis. Geen blèrende kinderen, geen tv en geen radio.
Alleen maar de geluiden van het huis zelf. Water dat kookt, gerammel van bestek, het getingel van een lepeltje bij het roeren in de koffie, een ochtendscheetje, het opgewonden gezoem van een vlieg tegen het raam...
Maar je dag kan echter nog zo stil beginnen, voor je het weet wordt je aandacht  weer getrokken door de taal die zich, zodra je ergens een paar knoppen indrukt , bijna onmiddellijk aan je opdringt.
Bijvoorbeeld de stem van de nieuwslezer. Of mijn eigen stem als ik deze probeer los te maken wanneer ik onder de douche sta. Nee, dat is niet hetzelfde als zingen. Het lijkt er zelfs niet op.
En dan de teksten die ik lees. Hele lappen verwerk  ik voordat ik de deur uit ga. Ik begin er soms al mee nog voor ik mijn ontbijt heb gehad. Zo wilde ik vandaag beslist weten of er al oorlog in de Ukraine was uitgebroken. En dan kun je niet volstaan met het lezen van een of ander lullig artikeltje maar moet je alle kranten doorspitten op internet.
Zou je me achteraf vragen om ook maar één gelezen zin letterlijk te herhalen, dan sta ik met een mond vol gepoetste tanden. De strekking van wat ik gelezen heb weet ik meestal wel, maar daarmee heb je ook alles gezegd.
Maar er zijn uitzonderingen. Uit  de film “American Hustler”, die ik vanmiddag zag, is me wel een mooie wandtegeltjesspreuk bij gebleven.
Vertaald luidt deze “Het liefst van alles zou ik iemand willen zijn die in niets lijkt op mezelf”.  Ik denk dat er veel mensen zijn die zich in dit proza herkennen. Wie ze dan zouden willen zijn weten ze niet. Maar alles is blijkbaar goed zolang ze niet zichzelf hoeven te zijn. Voor mij geldt overigens dat ik heel blij ben met mezelf. En dat durf ik best wereldkundig te maken.

Nu, voor vandaag dus geen schrijfoefening. Zoals ik al zei “veel zin om vandaag aan mijn blog te werken heb ik niet”. Ik heb nu wel wat beters te doen. Maar al babbelend zie ik dat het toch weer een heel verhaal geworden is.

zaterdag 1 maart 2014

Oude herinneringen.

‘k Ben vandaag naar een mineralen en fossielenbeurs in Den Haag geweest. Ooit was het zoeken naar fossielen en mineralen namelijk kortstondig een hobby van me. 
Het is heerlijk om in de grond te wroeten alsof je op zoek bent naar een schat en dan iets te vinden wat miljoenen jaren in de schoot van de aarde verborgen is gebleven.
Nu ik met mijn vele vrije tijd geen raad weet, heb ik besloten om deze hobby weer op te nemen. Zeker als je van reizen houdt is het leuk om naar een gebied te gaan waar je verwacht iets moois van moeder aarde cadeau te krijgen. Nu ja, echt cadeau…Je moet er wel voor ploeteren.
In een grijs verleden zaten Arjan en Marco, destijds twee vrienden van me, en ik in een weiland bij het kleine plaatsje Gerolstein in de Eifel te zoeken naar trilobieten, brachiopoden, belemnieten en zeelelies, terwijl de sneeuwvlokken om onze oren vlogen.
Gelukkig hadden we het niet koud want we waren alle drie warm ingepakt en knetterstoned.
Ja, daar heb ik goeie herinneringen aan over gehouden.
Zelf ben ik ooit in mijn eentje in Lyme Regis (Dorset, England) op zoek geweest naar ammonieten. Helaas vond ik slechts fragmenten en ontbrak het mij aan de tijd en het gereedschap om de grote ammonieten die in de rotsen vast zaten er uit te hakken. Achteraf misschien maar goed ook, want ik was met de rugzak en had anders al dat zware verleden met me mee moeten sjouwen.
Maar genoeg over fossielen voordat ik straks zelf voor een fossiel wordt gehouden.
Vandaag wil ik een taaloefening doen waarbij ik een of enkele oude herinneringen beschrijf. Omdat het geheugen vol zit met onechte herinneringen hoeft wat ik nu ga opschrijven ook niet echt gebeurd te zijn. Maar het zou wel kunnen.

Mijn oudste herinnering is een bruine vochtige tepel. Niet zo’n theeschoteltje, maar een mooi tepeltje ter grootte van een eurostuk.  Ik heb het haar nooit gevraagd, maar ik vermoed dat het de tepel van mijn moeder was en dat zij mij toen borstvoeding gaf.  Het is een prettige herinnering, ingebed in gevoelens van warmte en geborgenheid. Nog steeds als ik een tepel zie zijn het deze gevoelens, naast enige andere, die worden opgeroepen.
Maar wat nu als het niet de tepel was van mijn moeder maar die van een ander? Die van Ria bijvoorbeeld, een van mijn eerste vriendinnetjes. Al weet ik bijna zeker dat zij tepeltjes had als kleine moorkoppen.
Nee, aan Ria heb ik niet mijn oudste herinneringen. Zij kwam uit een gezin waarvan de vader meende dat olifanten een dracht hadden van negen jaar. En niemand van de kinderen die hem durfde tegen te spreken. Ria was trouwens heel zuinig op haar tepels. Het heeft erg lang geduurd eer ik ze mocht aanraken. En dan nog maar heel eventjes. En bij nader inzien had ik al vele andere vriendinnetjes gehad eer ik verkering kreeg met haar.

Een andere herinnering is het staan onder de tafel. Ik kon er onder staan zonder dat mijn hoofd het tafelblad aanraakte.  Daar moest ik op mijn tenen voor staan. Dan moet ik een jaar of vier zijn geweest. Of tien.
Muizenstad. Opeens herinner ik mij muizenstad. Waar het was weet ik niet meer, maar ik zie opeens weer allemaal witte muizen die molentjes en verder alles wat draaien kan in beweging brengen.
Ze schuifelen rond in het bruingele zaagsel, voortdurend snuffelend en schichtig bewegend. Waarschijnlijk doodsbang van al die gillende kinderen en vrouwen. Ik zat nog op de arm van mijn moeder, dus ik vermoed dat ik tussen de twee en drie jaar zal zijn geweest.

Wat is het toch lastig om zo ver terug te gaan in het verleden. Ik kan haast niet wachten tot ik dement ben. Het schijnt dat je dan alleen nog maar in je vroegste herinneringen leven kan.

Nee, deze oefening is te zwaar voor me. Misschien beter als ik de volgende keer een schrijfoefening doe waarbij ik mijn toekomstige herinneringen probeer vast te leggen. Waarschijnlijk gaat mij dat beter af.