Het onvoorstelbare is gebeurd. Na enkele jaren van grote
droogte is er voedselschaarste in Europa ontstaan. Overal zijn voedselrellen
uitgebroken. Miljoenen zijn op de vlucht geslagen en proberen zo hun lot te
ontlopen. Blijven betekent vaak een afschuwelijke dood.
Door deze op drift geraakte bevolkingsgroepen is de infrastructuur in veel landen ingestort. Overal
heerst anarchie. Wie zijn land nog kan ontvluchten doet dat.
Met het vliegtuig gaat dat niet meer. Vanwege het gevaar om
uit de lucht geschoten te worden houdt de internationale burgerluchtvaart bijna
alle vliegtuigen aan de grond.
Vaak rest de vluchtelingen niets anders dan met gevaar voor
eigen leven de barre tocht te maken naar het zuiden.
Gelukkig zijn er daar mensensmokkelaars die bereid zijn om
voor veel geld de Europeanen in gammele bootjes naar Noord-Afrika toe te varen.
Eens woedde daar een felle strijd tussen de diverse
bevolkingsgroepen nadat de dictators daar waren verdreven. De duur bevochte vrede
heeft gelukkig veel welvaart gebracht en de regeringen zijn er tegenwoordig
stabiel. Het Afrika van nu kan gerust welvarend genoemd worden.
Maar de bevolking vreest de komst van al die Europeanen. Zij
zijn bang dat hun economie hierdoor opnieuw ontwricht kan geraken. Niemand zit
te wachten op al die blanken, waarvan de meeste bovendien nog christelijk zijn
ook. Bovendien kan men in de geschiedenisboekjes lezen hoe de kolonisering door de Europeanen destijds veel ellende heeft
gebracht.
Dat er tijdens de overtocht vanuit zuid Europa regelmatig
boten zinken, waarbij veel vluchtelingen het leven laten, zien veel Afrikanen
als hoopgevend. Elke dode vluchteling is weer een probleem minder. Bovendien wordt
hierdoor de drempel om naar hun landen te vluchten mogelijk hoger.
Degenen die de overtocht wagen en het er heelhuids afbrengen
worden in grote kampen opgesloten, waar ze soms jaren moeten doorbrengen in
grote onzekerheid. Velen van hen zijn alles kwijt geraakt.
Dat zij niet welkom zijn ontgaat hen niet. Maar weer terug
gaan naar Europa is ondenkbaar.
Twee oude mannen, Mark en Diederik, zoeken verkoeling in de
schaduw van een tent. Al bijna twee jaar zitten ze samen in dit kamp. Ze kennen
elkaar al jaren en hebben geen idee hoe het met degenen is die ze achter hebben
moeten laten. Van nieuwe vluchtelingen
horen ze de vreselijkste verhalen. Het oude Europa is volledig ingestort.
Uit lijfsbehoud hebben ze het verleden afgesloten. Het enige
wat hen nu bezig houdt is de vraag wat er met hen verder gaat gebeuren. Ze
weten dat ze weinig kans maken om hier weg te komen.
Mark heeft daar vrede mee. Hij begrijpt dat er niemand op
hem hier zit te wachten. Natuurlijk hoopt hij asiel te krijgen, maar hoog schat
hij zijn kansen niet in. Maar Diederik vindt het moeilijk om er zich bij neer
te leggen dat hij slechts een pion is in het politieke spel dat er wordt
gespeeld.
Een man in een militair uniform vraagt Mark om mee te komen.
Twee uur later keert hij terug. Hij ziet er opgewonden uit. “Ik kan weg”, zegt
hij. “Geen idee wie dit voor me heeft geregeld, maar ik vertrek nu meteen naar
Tripoli”. Beiden nemen afscheid van elkaar. Als Mark weg loopt draait hij zich
nog één keer om. “Ik zal een goed woordje voor je doen. Maak je geen zorgen”.
Dan verdwijnt hij uit het zicht en laat Diederik vertwijfeld achter.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten