De verkoper van de straatkrant, een forse man van middelbare
leeftijd met een donker Oost-Europees uiterlijk, zat op zijn klapstoel naast de
supermarkt verveeld voor zich uit te staren. Nu ja, hij had een exemplaar van
de straatkrant op zijn schoot, maar eigenlijk verkocht hij het gratis
Metrokrantje waarvan hij een stapel onder zijn stoel had liggen. Voor het
verkopen van de straatkrant had hij immers geen vergunning.
Op sommige dagen waren er genoeg mensen die uit medelijden
een gratis krantje bij hem voor een of twee euro kochten.
Maar vandaag had hij z’n dag niet. In twee uur was er maar één
persoon geweest die hem wat geld hadden toegestopt.
Een klein, fragiel oud vrouwtje hield voor hem halt met haar
boodschappenkarretje.
“U zit hier bijna
elke dag,” sprak ze. “Dat moet erg vermoeiend voor u zijn op zo’n
ongemakkelijke stoel. Krijgt u geen last van uw rug?” De man keek haar vragend
aan. Hij verstond slechts enkele woorden, want hij was nog niet zo lang in
Nederland. “Krantje?” Hij wuifde met een brede lach op zijn gezicht naar haar
met de straatkrant.
“Ik hou het zelf nog geen tien minuten uit op zo’n
stoeltje”, ging de vrouw onverstoorbaar verder. “Last van mijn heup, weet u. Ik
ben er vorig jaar aan geopereerd nadat ik gevallen was, maar het is nooit meer
goed gekomen. Echt een kwaal van oude mensen, zo’n gebroken heup. Mijn buurman
is bijna tachtig en die heeft drie jaar geleden zijn heup gebroken. Ik heb hem
toen nog in het ziekenhuis bezocht. Bij mij is hij ook langs geweest. Het is
nog een kranige man, hoor. Hij loopt wel met een stok, maar beter dan ik.” De
vrouw was met haar boodschappenkarretje zo gaan staan dat er niemand tussen
haar en de krantenverkoper door kon. De man zag dat een voorbijganger een
krantje wilde kopen, maar dat hij besloot om door te lopen toen er mensen
zachtjes tegen hem aan duwden omdat ze er bijna niet langs konden.
“Weet u, sinds zijn vrouw is overleden komt de buurman elke
woensdag bij mij een kopje koffie drinken. Vindt u dat niet aardig? Hij is nog
zo bij z’n positieven. Gaat elke dag met z’n hondje een half uurtje wandelen in
het parkje. U weet misschien wel, daar achter bij de kerk.”
De krantenverkoper grijnsde haar toe met iets van wanhoop in
zijn blik. Waar had deze oude vrouw het toch allemaal over? Waarom liep ze niet
gewoon door. Vanuit zijn ooghoeken zag hij een bekende klant aan komen lopen.
Deze stopte altijd om hem wat geld toe te stoppen. Maar ook zij liep nu door
met een meewarige uitdrukking op haar gezicht, die hij interpreteerde als “Ik
zie dat je nu even bezig bent. Een ander keertje maar weer”.
Het oude vrouwtje hield niet op met praten en omdat hij
totaal geen idee had wat ze allemaal zei probeerde hij het nog eens en zwaaide
hij opnieuw met zijn ene straatkrantje.
“Ach, ik hou u helemaal van uw werk. Neemt u mij niet
kwalijk. Geeft u mij maar zo’n Metrokrantje.” Ze wees hem op de stapel kranten
onder zijn stoel. Grijnzend pakte hij de bovenste en reikte hem haar aan. “Dat
is erg aardig van u. Zo’n gratis krantje is altijd nog heel leuk om te lezen,
vindt u ook niet? Gooit u hem maar in het wagentje. En lief dat u zo goed naar
mij geluisterd hebt. Ik ga nog even naar de bakker om wat koekjes te kopen. Die
zijn lekkerder dan die uit de supermarkt. Nu moet ik echt naar huis, want de
buurman komt zo. Nou, bedankt hoor. Dag meneer.”
En terwijl de krantenverkoper haar verbouwereerd nakeek liep
ze schuifelend met haar wagentje verder het winkelcentrum in.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten