Het is herfst.
Er trekken talloze buien over het land. Als ik
met een volle boodschappentas het overdekte winkelcentrum uit kom en het natte veldje
er naast over steek is het even droog. Het felle zonlicht dat tussen de voorbij
drijvende grijze wolkenmassa’s schijnt verblindt me. Ik knijp mijn ogen toe. Het briesje op mijn
gezicht voelt aangenaam fris.
Beschenen door het zonnetje dwarrelen de geelbruine
bladeren van de populieren langs het fietspad naar beneden.
Van geluk maak ik spontaan een dansje. Waarbij
ik er op let om niet in de hondenpoep te stappen.
Het modderpad tussen
de knotwilgen langs de trambaan ligt er verlaten bij. Op weg naar huis verbaas ik
me over het geluksgevoel dat nog een beetje in mij na gloeit.
Is er dan zo
weinig nodig om mij mijn zorgen te laten vergeten? Zorgen over een wereld die
steeds verder dreigt te ontsporen, maar ook over gebeurtenissen dichter bij
huis waar ik niet veel aan kan doen? Kan ik mezelf wel serieus nemen als ik zo
gemakkelijk te verleiden ben tot een glimlach of zelfs een schaterlach?
De komende dagen
zullen de buien de uitbundige kleuren op veel plaatsen wegspoelen.
Op andere plekken
is de kleurenpracht nog niet over zijn
hoogtepunt heen. Daar kunnen degenen die er gevoelig voor zijn straks nog even weg
zwijmelen als de zon op de bladeren schijnt. Pas over enkele weken staan er overal
alleen nog maar kale loofbomen.
Ik hou van deze
overgang naar de kou. Van de melancholie die verbonden is met het afscheid
nemen. Van de woordeloze
stilte die me soms overvalt omdat het me even allemaal teveel is. Van het
onbestemde gevoel dat hier bij hoort dat verder gaat dan woorden.
Even niet denken,
even niet piekeren, even vrede sluiten met mezelf. De herfst, deze tijd die ons zo confronteert
met onze vergankelijkheid, is een tijd
van bezinning. Waarbij de woorden of
juist de afwezigheid hiervan soms als buien over ons heen trekken. Zodat we goed voorbereid zijn op de kou die ons wacht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten